Dit is het webblog van Peter Kassenaar - Ik geef training en consultancy in het maken van crossplatform mobiele apps en webapps. Trefwoorden: AngularJS, PhoneGap, jQuery/Mobile. HTML5, CSS3, JavaScript, AJAX, JSON. Ik schrijf boeken en artikelen over tal van (ICT-) onderwerpen. Ik was lead developer en directeur bij Yindo - Jouw digitale bibliotheek. Je kunt mij volgen op Twitter.(@PeterKassenaar)

Terug naar de algemene site.

30mei

Book review “Rien ne va plus”

rien-ne-va-plus

Dat het in de Nederlandse casino’s geen gedistingeerd gezelschap is van heren in smoking en dames in avondtoilet, waarbij onder zacht getinkel van champagneglazen het balletje zijn rondjes draait in de Franse roulette was al wel bekend.

Maar dat de casinobezoeker – assertief en gestoken in luidruchtige vrijetijdskleding – letterlijk over lijken gaat om zo snel mogelijk het vrijgekomen plekje in te pikken van een onwel geworden, van zijn stoel gegleden en inmiddels overleden gast , komt toch wel als een verrassing.

Marco Rosman

Ruim twintig jaar (1989-2009) was Marco Rosman medewerker van Holland Casino en in die jaren –waarin hij binnen de organisatie ontwikkelde van croupier tot zaalchef en later vestigingsmanager – zag hij heel wat incidenten voorbij komen. In Rien ne va plus worden ze in geuren en kleuren beschreven. Van kaartentellers tot witwassers, van het niet willen vrijgeven van een gokkast “omdat hij op het punt van uitkeren staat”, zelfs als drie kasten verderop duidelijk de vlammen uit het dak slaan, tot stelende zoons die waardechips van hun even verslaafde moeder achterover drukken als ze even naar het toilet is. En dus de diverse incidenten met overleden gasten, waarbij het spel gewoon doorgaat, terwijl het lijk “onder een laken nog ligt na te dampen, terwijl wordt gewacht op de medicus van dienst de dood moet vaststellen”.

Spiegel

Op die manier gezien houdt Rien ne va plus vooral de lezer zelf een spiegel voor. En zien we een ontluisterend beeld van de hebzucht die zichtbaar wordt als het kleine laagje beschaving aan de oppervlakte wordt weggekrabd. Alsmede de agressie die optreedt als een gast opeens niet de jackpot gewonnen blijkt te hebben omdat zijn vrouw uit zuinigheid maar op vier winstlijnen gespeeld blijkt te hebben in plaats van de verplichte vijf die nodig zijn om het volledige bedrag uit te keren. Het is niet best gesteld met de moraal van de Nederlander die geld ruikt.

 

Marco Rosman interview bij De Wereld Draa

Rosman beschrijft de verschillende fasen van zijn leven als werknemer van Holland Casino. Enthousiast in het begin, als hij de fysieke en mentale technieken van het vak van croupier onder de knie moet krijgen. Kritisch in het midden, als de organisatie signalen niet oppikt of niks doet met suggesties het bedrijf te verbeteren of beter te laten aansluiten bij de concurrentie (rookverbod, online gokken). En verbitterd aan het einde, als Holland Casino uiteindelijk maar een gewoon bedrijf blijkt, waar na jaren van verlieslijdende exploitatie gereorganiseerd moet worden. Waarbij het management – zoals in alle bedrijven met enkele duizenden werknemers – vooral zichzelf blijkt te ontzien en de medewerkers op de bedrijfsvloer de klappen mogen opvangen. Dan is Rosman overduidelijk kwaad en worden man en paard genoemd.

Onoirbare praktijken?

Toch blijft het raadselachtig waarom - zoals Rosman niet nalaat te benadrukken - Holland Casino tot in de rechtbank toe heeft getracht het boek te verbieden, of in ieder geval op voorhand inzage wilde hebben in de drukproeven. Rechtszaken die het bedrijf overigens allemaal verloren heeft.

Zou het zijn omdat Holland Casino wel erg laks blijkt om te springen met de door de overheid opgelegde verplichting bezoekers te monitoren op gokverslaving? Of om de mogelijkheden tot witwassen van geld via de goktafels – die er ongetwijfeld nog steeds zijn – amper afdoende bestreden kunnen worden? Dat wordt niet echt duidelijk.

Op de cover van het boek wordt triomfantelijk geschreeuwd over “onoirbare praktijken binnen rien-ne-va-plus-backstaatsbedrijf Holland Casino”, maar dat blijkt feitelijk nergens uit. Holland Casino overtreed geenszins de wet. Dat ruimhartig gokkende klanten (de whales) in de watten worden gelegd en dat hierin soms ongelukkige keuzes worden gemaakt, is evident.

Neem de medewerker van een Aziatische autofabrikant die op persoonlijke titel miljoenen euro’s van zijn werkgever blijkt te vergokken, een daad waarvoor Holland Casino later een schikking heeft moeten treffen. Onhandig. Overduidelijk. Maar “onoirbaar”? Eveneens hilarisch zijn de beschrijvingen van Oosterse gasten die rond de eeuwwisseling plastic Albert Heijntassen volgestouwd met guldenbiljetten kwamen omwisselen voor kakelverse euro’s (“Malco vliend. Molgen dlie zakken ja?”). Illegaal? Onwettig? Tja.

Wat eerder duidelijk wordt, is dat het bedrijf zich in feite in een spagaat bevindt. Enerzijds moet zoveel mogelijk omzet en winst worden gemaakt voor de enige aandeelhouder (de Nederlandse staat), anderzijds moeten gasten van diezelfde wetgever tegen zichzelf in bescherming worden genomen door ze entreeverboden op te leggen, moet de antirook-wetgeving worden uitgevoerd, moet witwassen worden tegengegaan en meer.

Anekdotisch bewijs

Marco Rosman heeft een aardig boek geschreven met veel insiderinformatie en voornamelijk anekdotisch bewijs – want tegenover elk incident dat door Rosman in geuren en kleuren wordt beschreven staan natuurlijk honderden, duizenden, onopvallende gastbezoeken die de moeite van het beschrijven niet waard zijn. En Holland Casino wijkt qua bedrijfsvoering en afstand tussen het management en de werkvloer – likken naar boven, schoppen naar beneden – op werkelijk elk ander bedrijf dat ik ben tegengekomen.

Daarnaast staan er een aantal storende fouten in. Zo wordt Edward O. Thorp (de Amerikaanse professor die in de jaren zestig van de vorige eeuw als eerste wiskundig aantoonde dat blackjack met de juiste strategie altijd procentueel in het voordeel van de speler kan worden beslist) consequent aangeduid als Thorpe (zoals de Australische zwemmer) en wordt gesproken van de Automatische Kaarten Schudder (AKS), terwijl tegenwoordig – en bij mijn weten ook al ten tijde van publicatie van het boek – in Holland Casino gebruik wordt gemaakt van een Continuous Shuffling Machine (CSM), hetgeen toch echt een ander apparaat is. Rosman zal het ongetwijfeld bij het rechte eind hebben gehad toen dit apparaat rond 1990 werd geïntroduceerd – en hij het management terecht waarschuwde dat dit kaartentellers juist zou aantrekken, in plaats van afstoten – maar een update met de huidige stand van zaken zou mooi zijn geweest.

Conclusie

Taalkundig is het geen hoogstandje. Veel retorische vragen, uitroeptekens, rammelende dialogen en zinnen. Het is wel duidelijk waarom Marco Rosman een gesjeesde student journalistiek is, zoals hij in de eerste hoofdstukken beschrijft. Van zijn ambitie om verder te gaan in het schrijversvak lijkt nog niet veel terecht te zijn gekomen. Meer uitgaven dan deze titel uit 2011 kon ik van hem niet vinden.

Desalniettemin is het een aangenaam boek om in een avondje weg te lezen als je geïnteresseerd bent in de voormalige(?) gang van zaken en het reilen en zeilen bij “de enige legale aanbieder van casinospelen in Nederland”. Aanbevolen, derhalve. Mits je een relativerende bril opzet.

Peter Kassenaar
-- 30 mei 2015.

04mei

Idea Man – de autobiografie van Paul Allen

Ik ben bezig met een serie boekbesprekingen van (auto)biografieën van personen die belangrijk zijn geweest in de computergeschiedenis. Eerder schreef ik artikelen over

Vandaag is de autobiografie van Paul Allen Idea Man, A memoir by the co-founder of Microsoft  aan de beurt.

image

Paul Allen (Seattle, 21 januari 1953) is in Nederland veel minder bekend dan zijn kompaan Bill Gates, waarmee hij in april 1975 Microsoft oprichtte. Dat komt natuurlijk omdat Bill Gates jarenlang het gezicht van Microsoft – en daarmee in feite van de complete computerindustrie- was. Paul Allen daarentegen, verliet al in 1983 het bedrijf, nadat bij hem op 29-jarige leeftijd voor de eerste keer kanker was geconstateerd.

Dat deze ziekte overigens niet de hoofdoorzaak van zijn vertrek bij Microsoft was, leren we uit zijn autobiografie Idea Man, A memoir by the co-founder of Microsoft.

De dieperliggende reden voor zijn vertrek bij Microsoft was dat hij na meer dan 14 jaar dag in, dag uit met Gates te hebben opgetrokken er niet meer tegen kon. “Bill’s intensity was nonstop, and I couldn’t keep working with him and living with him any longer.”

De continue (zakelijke en persoonlijke) nervositeit en conflicten, het permanente streven naar het allerbeste en dan nog hoger, de ultracompetitieve instelling en zelfs vernederingen door zijn partner. Een voorbeeld hiervan is dat Paul Allen op een avond, terwijl hij nog herstellende is van zijn chemokuur, door het Microsoft-gebouw loopt. Hij hoort Bill Gates en de enkele jaren daarvoor aangenomen Steve Ballmer praten over een manier waarop ze hem uit het bedrijf kunnen werken, door zijn aandelen te laten verwateren. Hij is nu immers veel minder productief voor Microsoft.

Microsoft

Eerder al, bij de oprichting van Microsoft - toen nog Micro-Soft geheten, Paul Allen heeft die naam verzonnen – had hij ingestemd met een aandelenverhouding van 64% voor Gates tegen 36%, in plaats van 50%/50%, waar hij als vanzelfsprekend van uit was gegaan. Gates echter: ‘Kom nou Paul, ik heb bijna al het werk gedaan aan BASIC (het eerste product van Microsoft dat destijds voor tal van de eerste generatie pc’s verkocht werd), voor jou ben ik gestopt op Harvard.’ Allen zag het redelijke van deze redenering wel in en ging akkoord.

Maar toen Allen later SoftCard ontwikkelde – een insteekkaart voor de mateloos populaire Apple II computers, waarmee de positie van Microsoft bevestigd werd en die indirect de aanleiding was voor de deal met IBM om DOS te leveren als besturingssysteem voor de eerste pc – en aan Bill Gates voorstelde de aandelenverhouding weer te wijzigen, ontplofte de eerste bijna; ‘I don’t ever want to talk about this again’, he said. ‘Do not bring it up’. Paul Allen vervolgt, ‘In that moment, something died in me (…) I sucked it up and thought, OK. But someday, I’m out of here’

Jeugd

De periode van Allens’ jeugd tot en met zijn vertrek bij Microsoft beslaat ongeveer de (eerste) helft van het boek. Het is tevens – voor de technisch/historisch geïnteresseerde lezer althans – verreweg het meest interessante deel.

De titel van het boek, Idea Man, is een verwijzing naar de rol die Allen het liefst vervuld. Zijn passie is het bedenken van nieuwe toepassingen, het uitwerken van toekomstbespiegelingen en bedenken hoe technologie van dienst kan zijn in het dagelijks leven. Het bleef evenwel niet bij het bedenken alleen. Zeker op school en in zijn tijd bij Microsoft heeft Paul Allen zelf ook veel dingen gebouwd om zijn visie te realiseren.

Zo schreef hij bijvoorbeeld in machinetaal voor PDP-10 computers een simulator voor de destijds nieuwe Intel chips 8008 en 8080, die draaiden op een PDP-10 computer. Zo ‘dacht’ een PDP-10 dat hij een Intel 8080 was, en konden Paul Allen, Bill Gates en Monte Davidoff (een ingehuurde student/programmeur) een eerste versie van BASIC schrijven die zou draaien op de nieuwe chips, lang voordat de hardware überhaupt op de markt was. Met andere woorden, Paul Allen stond mede aan de wieg van virtualization van hardware, ruim dertig jaar voordat deze techniek door het bedrijfsleven werd opgepikt.

Ook gaf Allen in 1977 een interview waarin hij beschreef hoe hij een toekomst voor zich zag waarin voor standalone computers zoals de Commodore Pet geen ruimte was en dat hij zich niet kon voorstellen dat huisvrouwen zouden willen leren programmeren in BASIC. ‘What I do see is a home terminal that’s connected to a centralized network by Phone Lines, fiber optics or some other communication system. With that system you can perhaps put your car up for sale or look for a house in a different city, or check the price of a stock’. Dit was ruim 15 jaar voordat Tim Berners Lee in Zwitserland de basisbeginselen van het world wide web zou bedenken.

Het verhaal hoe Paul Allen afreist naar MITS in Albuquerque om hun versie van BASIC voor het eerst te demonstreren behoort tot de hoogtepunten van het boek. Ook de ontwikkeling van Microsoft in de woelige eerste jaren van het bedrijf zijn onvoorstelbaar fascinerend om te lezen (een bezorgde dame tegen de bleke en uitgemergelde Allen en Gates: ‘jongens zijn jullie aan de Acid of andere drugs? – Nee, wij zijn programmeurs’).

Na Microsoft

Helaas wordt dat in de tweede helft van het boek een stuk minder. Ofschoon Bill Gates er op aandringt dat Paul Allen bij zijn ontslag ook de rest van zijn belang in het bedrijf verkoopt, behoudt Allen zijn aandelen. Het maakt hem eerst miljonair, daarna multimiljonair en vervolgens miljardair. Op dit moment bezit Allen nog steeds 138 miljoen aandelen Microsoft, goed voor ruim 13 miljard dollar.

Hiermee koopt hij verschillende sportteams (het basketbalteam Portland Trailblazers en het American Footballteam Seattle Seahawks), diverse jachten, een tweetal onderzeeërs. Daarnaast is Allen als investeerder actief in meer dan 140 verschillende bedrijven, waarvan er diverse in het boek worden besproken. Zowel hoogtepunten (investeringen in internetbedrijf America Online en filmstudio DreamWorks) als mislukkingen (kabelbedrijf Charter) worden breed uitgemeten.

Elk hoofdstuk in het tweede deel heeft een eigen thema, zoals Space (over de investeringen van Allen in de commerciële ruimtevaart en de pionierende successen hierin), Jimi (over de liefde van Allen voor muziek in het algemeen en Jimi Hendrix in het bijzonder) en Mapping the Brain (over zijn inspanningen een complete 3D-catalogus/encyclopedie van het brein voor medische toepassingen te realiseren), naast de al genoemde onderwerpen als sportteams en investeringen.

De oorspronkelijke chronologie van de biografie wordt hier verlaten. Hierdoor gaan verschillende tijdspaden door elkaar lopen. Elk hoofdstuk keert opnieuw terug naar zijn jeugd en vertelt vervolgens het verhaal van het betreffende thema. Zo moet je dus zelf door alle hoofdstukken te combineren uitvinden waar Allen in (bijvoorbeeld) 2002 allemaal mee bezig was en je zo een beeld vormen van zijn leven.

Stijlbreuk

Nu wordt deze structuur - een leven thematisch in plaats van chronologisch beschrijven - in een (auto)biografie wel vaker toegepast. Maar omdat het eerste deel van het boek strikt chronologisch de geschiedenis van Paul Allen en Microsoft beschrijft, is dit een stijlbreuk die wat mij betreft afbreuk doet aan de leesbaarheid van het boek. Daarnaast zijn een aantal thema’s en de mate van detail daarbinnen voor niet-Amerikanen vaak weinig relevant. Als je geen dagelijks volger van de NBA of NFL bent, zullen de namen van spelers en coaches van teams uit die periode je waarschijnlijk niet veel zeggen. Hetzelfde geldt voor het versnipperde landschap van kabelaanbieders en –stations in de Verenigde Staten. Begrijpelijk dat het voor Allen persoonlijk relevant is als je door een misinvestering voor ruim 7 miljard dollar(!) het schip in dreigt te gaan, maar het werpt geen wezenlijk nieuw licht op zijn leven of de manier waarop hij ideeën uitvoert of verwezenlijkt.

Eind 2009 wordt bij Allen voor de tweede keer kanker vastgesteld. Dit keer een veel agressiever vorm van non-Hodgkin’s lymphoma, waarbij zijn overlevingskansen op minder dan 50% worden ingeschat. Opnieuw ondergaat Allen chemotherapie (zes ronden, met tussenpozen van drie weken) en probeert hij ondertussen verder te werken aan het boek en zijn projecten. Saillant detail: een van meest regelmatige bezoekers aan zijn ziekbed is Bill Gates, die inmiddels (in 2008) ook zijn dagelijkse werkzaamheden bij Microsoft heeft beëindigd, nadat hij in 2000 het CEO-schap al had overgedragen aan Steve Ballmer.

He was everything you’d want from a friend, caring and concerned. I was reminded of the complexity of our relationship and how we always rooted for each other, even when we were barely speaking. It seemed that we’d be stuck with one another for as long as we lasted.

Het boek besluit met de vele goede doelen waaraan Allen heeft gedoneerd. Paul Allen behoort (opnieuw samen met Bill Gates) tot de grootste weldoeners in de Verenigde Staten. Inmiddels heeft hij meer dan een miljard dollar weggegeven aan scholen, bibliotheken, wildreservaten en natuurprojecten in de Verenigde Staten en Afrika . Ook zijn laatste idee Project Halo, een toepassing om kunstmatige intelligentie te verwerken in computers, wordt uitvoerig toegelicht.

Conclusie

Voor het eerst in mijn serie biografiebesprekingen vind ik het moeilijk een eindoordeel te geven. Het boek is beslist vlot geschreven, maar grijpt je nooit zo bij de keel als bijvoorbeeld iWoz en iCon. Het feit dat het boek zo overduidelijk in tweeën is te verdelen is hieraan debet.

Het eerste deel van Idea Man is extreem goed, gezaghebbend. Het verdiend minstens vier of viereneenhalf sterren voor de beschrijving, de historische context en de achtergrondinformatie over de persoon Paul Allen en de mensen waarmee hij samenwerkt.

Het tweede deel is veel minder relevant, bevat overbodige staaltjes name dropping (Bono, Mick Jagger, president Bush) en zou ik als losstaand boek of serie artikelen nooit gelezen hebben. Niet meer dan anderhalf of twee sterren voor dit deel. Omdat je het tweede deel echter naar believen kunt doorbladeren nadat je het eerste deel gelezen (nee: bestudeerd) hebt, wil ik toch afsluiten met een positief koopadvies.

Mijn waardering: 3/5 sterren
3_stars

Bestellen

Idea Man - A Memoir By The Co-Founder Of Microsoft
Auteur: Paul Allen
Engels – Hardcover
368 pagina's | Penguin Books Ltd | april 2011

Peter Kassenaar
-- 2-4 mei 2011.

24april

iWoz– de autobiografie van Steve Wozniak

Ik ben bezig met een serie boekbesprekingen van (auto)biografieën van personen die belangrijk zijn geweest in de computergeschiedenis. Eerder schreef ik een artikel over iCon, een biografie van Steve Jobs. Vandaag is iWoz, de autobiografie van de andere Apple-oprichter, Steve Wozniak, aan de beurt.

 

iWoz“Waarom nu? Wel, op dit punt in mijn leven – op het moment van schrijven ben ik vijfenvijftig – is de tijd aangebroken om een aantal punten recht te zetten. Zoveel informatie over mij is foutief. Er zijn bijvoorbeeld verhalen dat ik mijn middelbare school niet zou hebben afgemaakt (dat heb ik wel), dat ik van de universiteit zou zijn gegooid (niet waar), dat Steve Jobs en ik klasgenoten zouden zijn (ik ben vijf jaar ouder) en dat Steve en ik de eerste computers samen hebben ontworpen en gemaakt (ik deed dat in mijn eentje).”

Aan het woord is Steve Wozniak (‘Woz’ ). Samen met Steve Jobs de oprichter van Apple en – naar in deze autobiografie blijkt – het technisch brein achter de eerste Apple computers, de Apple I en Apple II. De volledige titel van het boek is “iWoz, Computer Geek to Cult Icon: How I Invented the Personal Computer, Co-Founded Apple, and Had Fun Doing It”. Nu zijn de Amerikanen nooit te bescheiden om flink uit te pakken met ondertitels, maar is het niet een beetje te veel eer om Wozniak aan te wijzen als de man die hoogstpersoonlijk de personal computer revolutie heeft gestart? Na het lezen van het boek ben je geneigd om – in elk geval vanuit technisch oogpunt - dit als correct te beschouwen.

“All my life, I just wanted to be an engineer”

Vanaf hoofdstuk 1 vertelt Woz hoe zijn hele leven in het teken heeft gestaan om engineer te worden. Zijn vader was engineer bij Lockheed en werkte aan geheime projecten. Op school was hij vooral geïnteresseerd in lessen als natuurkunde, wiskunde en logica. Het zou Woz te kort doen om het Amerikaanse begrip engineer eenvoudigweg te vertalen met de Nederlandse titel ingenieur. Het begrip is veel breder bedoeld. Wozniak is vooral ook ontwerper, uitvinder (hij heeft vele patenten op zijn naam staan) en bouwer.

Zijn vroege interesses blijkt vooral te liggen in de wijze waarop elektronen door componenten stromen en hoe met basiscomponenten als weerstanden, diodes en condensators nieuwe onderdelen als transistors en logische schakelingen gebouwd kunnen worden. En omdat de fysieke componenten vaak niet voorhanden, of erg duur zijn, ontwerp Woz zijn ‘computers’ op papier. Hij tekent letterlijk de benodigde schakelingen en verbindingen op papier en maakt op die wijze verschillende vroege prototypes allerlei elektronische apparaten. Pas later kan hij ze echt realiseren. Zijn grootste uitdaging is om het aantal benodigde componenten zo laag (en daarmee goedkoop) mogelijk te houden. Hierin is hij de allerbeste.

En omdat Woz ook wel van een geintje houdt (hij is een erkend prankster op school), resulteert dit in apparaten waarmee hij op afstand het tv-signaal kan vervormen en verstoren. Pas als iemand in de kamer zich in de meest lastige positie heeft gemanoeuvreerd om de tv-antenne te richten, draait Woz –ongezien uiteraard- aan een knop, waardoor het beeld weer helder wordt en het slachtoffer de hele uitzending zijn ongemakkelijke pose moet aanhouden - denkend dat dit de enige positie is waarop de tv een goed signaal ontvangt.

Ook ontwerpt hij de blue box, een apparaat waarmee zwakke plekken in het telefoonnetwerk gebruikt worden om gratis over de hele wereld te bellen. Hiermee verdienen hij en Steve Jobs samen hun eerste geld. Maar nadat ze slachtoffer zijn geworden van een beroving en staande zijn gehouden door de politie (het gebruik van blue boxes is uiteraard illegaal) geven ze hun blue box-zaakje op en verliezen Woz en Jobs elkaar enige tijd uit het oog.

Woz vind ondertussen werk bij Hewlett Packard (HP), en werkt aan de eerste elektronische calculators. “HP is het meest fantastische bedrijf ter wereld. Ik bedoel: de meeste bedrijven worden gerund door managers. Engineers mogen de producten ontwikkelen en bouwen, en de managers verkloten het vervolgens. Bij HP niet. Dit bedrijf wordt ook gerund door engineers. Ik dacht dat ik een baan voor het leven had gevonden.”

Maar het liep anders. Woz is lid van de Homebrew Computer Club en ziet net als vele anderen in januari 1976 het magazine Popular Electronics, met de Altair 8800 op de cover, de eerste personal computer die voor hobbyisten (enigszins) betaalbaar was.

Woz ziet het systeem en denkt ‘dat kan ik ook’. In feite heeft hij enkele jaren eerder al een vergelijkbaar product bedacht, getekend en uitgevoerd (in eigen woorden, de ‘ Cream Soda Computer’), alleen zijn nu de beschikbare processors en onderdelen veel goedkoper.

Ontwerper als hij is, tekent hij de benodigde schema’s en schakelingen en komt als eerste op het idee om een een regulier toetsenbord als invoermedium en een televisie als uitvoermedium te gebruiken. Dit is waarschijnlijk het ware genie van Woz, dat hij buiten de gebaande paden treed en nieuwe toepassingen ziet voor componenten die op zich al bestaan. In het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw waren chips en componenten langzamerhand voorhanden, maar was nog niemand op het idee gekomen een televisie open te schroeven en hierop een computersignaal te laten zien. Computers waren beschikbaar als mainframes die op afstand bediend werden en hun invoer en uitvoer met ponskaarten en papier verwerkten. ‘Personal’ computers, waren destijds vierkante dozen met een frontpaneel met lampjes en schakelaars.

Om een goed beeld op een televisie te krijgen, moest Woz letterlijk een tv openschroeven en het binnenste met een oscilloscoop te lijf gaan om te zien waar hij de draden uit zijn computer aan moest solderen en vervolgens meten hoeveel milliseconden en welke frequentie elk signaal moest zijn om een pixel op het scherm te laten oplichten en weer uitdoven in de signaallijn die het televisiescherm vult. Zijn ontwerp moest hij hierop aanpassen en zelf in elkaar solderen. Dit zou uiteindelijk uitmonden in de computer Apple I, die hij samen met Steve Jobs verkocht.

Want Woz mag dan het technische brein achter Apple zijn,in zijn autobiografie geeft hij ruiterlijk toe dat het bedrijf zonder Jobs nooit van de grond zou zijn gekomen. Er was geen geld om componenten te kopen of te testen (en dus om te controleren of de tekeningen en berekeningen van Wozniak überhaupt correct waren). Maar daar was Steve Jobs die brutaalweg de telefoon pakte, met Intel belde en vroeg of ze niet wat testexemplaren konden sturen. De volgende dag stonden ze op de stoep. Ook de contacten met andere leveranciers, de eerste afnemers en exposities komt op het conto van Jobs.

“Our very own company!”

Als het aan Woz had gelegen, was het hele computercircus een leuke hobby voor in de avonduren, naast zijn werk bij HP. Maar Jobs haalt hem over er een echt bedrijf van te maken. “Well, even if we lose our money, we’ll have a company. For once in our lives, we’ll have our very own company!”. Vooruit dan maar, dacht Woz, bij het vooruitzicht aan zijn kleinkinderen te kunnen vertellen dat hij ooit een eigen bedrijfje had gehad. Woz verkoopt zijn HP calculator voor $500,-, Jobs verkoopt zijn VW-busje en zo schrapen ze $1300,- bij elkaar op Apple Computer Inc. op te richten. De rest is geschiedenis.

Apple II

De Apple II (ook een ontwerp dat Woz in zijn eentje heeft gemaakt) is de eerste computer die een kleurenbeeldscherm kan aansturen. Ook was het voor het eerst mogelijk er een diskettestation aan koppelen. In het boek beschrijft Woz kleurrijk hoe hij letterlijk alle enen en nullen heeft moeten schrijven om de koppen van de diskdrive naar de juiste positie te sturen, en hoe er vervolgens een bit gelezen of juist geschreven moest worden. Stuurprogramma’s bestonden immers nog niet. Programmeertalen bestonden zelfs nog niet. Daarom schreef Woz ook een BASIC-variant voor de Apple II, een trucje dat hij had afgekeken van de jonge Bill Gates. De Apple II betekende de absolute doorbraak van Apple en was jarenlang het paradepaardje van het bedrijf.

De tweede helft van het boek gaat over de ontwikkelingen bij Apple na de Apple II, en de onvrede van Woz dat het bedrijf langzamerhand wordt overgenomen door managers, in plaats van dat engineers aan het roer staan. Het beeld dat Woz van Apple schetst is dat van een bedrijf met groeistuipen, waarbij de verschillende CEO’s (Mike Scott en daarna Mike Markkula) tegen de problemen aanlopen die elke CEO voor zijn kiezen krijgt. Apple volgens Woz is zeker niet de Steve Jobs one-man-show waarvoor het bedrijf vaak wordt aangezien.

Na een vliegtuigongeluk in 1981 en tijdelijk geheugenverlies bouwt Woz zijn activiteiten af, haalt een universitaire graad, organiseert een aantal muziekfestivals (US Festival in 1982 en 1983) en begint een bedrijfje in de eerste programmeerbare afstandsbedieningen (CL 9). Ook is hij enige tijd fulltime vader, terwijl zijn vrouw (Wozniak is vier maal getrouwd) werkt.

Op de achtergrond blijft hij ingeschreven als Apple-werknemer, maar hij is niet meer betrokken bij nieuwe producten of technieken. Daarna is een van de oprichters van Apple, een van de meest invloedrijke technologiebedrijven in de historie, meer dan tien jaar lang basisschoolleraar in de fifth grade (vergelijkbaar met groep 6-7 in Nederland, als scholieren 10-11 jaar oud zijn). Hij geniet van de leergierigheid van kinderen en de manier waarop ze opgroeien en met (nieuwe) technologie leren omgaan.

Conclusie

iWoz is een vlot geschreven boek, waarin de 20 hoofdstukken zijn verdeeld in korte, makkelijk te lezen paragrafen die vaak maar enkele alinea’s lang zijn. Co-auteur Gina Smith heeft uitstekend werk verricht. Soms is het vermoeiend om te lezen dat Woz alweer de eerste was met een nieuwe grap, de eerste die een computer met kleurenmonitor in elkaar sleutelde, de eerste mens op aarde die een teken op een computerscherm zag verschijnen dat hij zelf op een toetsenbord had ingetypt, de eerste met een infrafrode, programmeerbare afstandbediening, en zo verder. Aan zelfingenomenheid geen gebrek.

Aan de andere kant: het is allemaal waar. En dan mag het gezegd worden. Zo zijn Amerikanen. Zelfs de Poolse Amerikaan die een dial-a-joke telefoonlijn heeft bedacht met uitsluitend Polack-grappen (wat we in Nederland Belgenmoppen zouden noemen) die hij zelf inspreekt. “Allo. Tenk you fur dialing dial-a-joke. Today’s joke ees: Ven did a Polack die of drinking milk? Ven the cow sat down. Ah, ah. Tenk you fur calling dial-a-joke!”

iWoz is een fascinerend boek. Verplichte kost voor iedereen die meer wil weten van de achtergronden en het tijdsbeeld waartegen het bedrijf Apple tot stand is gekomen, de relatie tussen de twee oprichters Steve Jobs en Steve Wozniak en de geschiedenis van de personal computer in het algemeen. Steve Wozniak is een beeldbepalende figuur in de computergeschiedenis. iWoz laat op een geweldige manier zien waarom dat zo is.

Mijn waardering: 4/5 sterren
4stars_thumb 

Bestellen

iWoz – Computer Geek to Cult Icon: How I invented the personal computer, co-founded Apple, and had fun doing it.
Auteur: Steve Wozniak & Gina Smith
Engels – Paperback
313 pagina's | WW Norton & Co | New title | oktober 2007
EUR 14,99 (paperback)

Peter Kassenaar
-- 20-24 april 2011

18maart

Steve Jobs– Geniale klootzak

Vandaag recenseer ik een tweetal boeken over Steve Jobs die ik toevalligerwijs vlak na elkaar gelezen heb. Ze hebben verschillende onderwerpen.

  • De eerste (iCon) is een – ongeautoriseerde – biografie van Steve Jobs.
  • De tweede (The presentation secrets of Steve Jobs) is een meer technische titel die de veelgeprezen presentatietechnieken van Jobs ontleedt, onder het vergrootglas legt en aanwijzingen geeft hoe je deze kunt inzetten om je eigen presentaties te verbeteren.

Beide boeken zijn alleen in het Engels verkrijgbaar. Er zijn - voor zover mij bekend – geen Nederlandse vertalingen verschenen.

Update : omdat het artikel erg lang werd, heb ik het gesplitst. Hier lees je deel twee!

iCon - Steve Jobs, the Greatest Second Act in the History of Business

iCon_coveriCon - Steve Jobs, the Greatest Second Act in the History of Business (hierna kortweg iCon) is een ongeautoriseerde biografie van Steve Jobs die zijn leven en werk beschrijft vanaf zijn geboorte in 1955 tot ongeveer zijn vijftigste verjaardag, in februari 2005.

Dertien hoofdstukken zijn verdeeld in drie delen en behandelen elk een deel van zijn leven. in het eerste deel (Flowering and Withering) wordt zijn jeugd en de oprichting van- en eerste periode bij Apple beschreven.

Het tweede deel (New Beginnings) bespreekt de ‘tussenperiode’ van zijn gedwongen vertrek bij Apple in 1985 de periode bij NeXT en Pixar en Disney tot zijn terugkeer bij Apple in 1996.

Het derde en laatste deel (Defining the Future) gaat dieper in op de hervormingen die Jobs tot stand bracht bij Apple na zijn terugkeer en zijn complexe (vaak persoonlijke) relaties binnen Pixar, Disney en de muziekindustrie. Dit deel omvat ook de periode van grote triomfen bij Apple, zoals de introductie van de iMac, de iPod en de iTunes Music Store. Het boek wordt afgesloten met de MacWorld Expo in San Francisco in januari 2005 (en bespreekt dus nog niet de recente Apple-successen zoals de iPhone en iPad).

iCon

De titel van het boek is dubbelzinnig. ‘iCon’ verwijst uiteraard naar het woord Ikoon, maar ‘con’ is in het Engels ook slang voor zoiets als een zwendelaar of leugenaar. Dat de nadruk van het boek voor een groot deel op deze tweede betekenis steunt, wordt direct in de eerste hoofdstukken duidelijk. De jonge Steve Jobs (11 jaar) dwingt zijn adoptie-ouders te verhuizen, omdat zijn huidige school hem niet aanstaat. “‘He said he just wouldn’t go back [to that school]’, recalled Paul Jobs. ‘So we moved’.” Al op jonge leeftijd demonstreert Steve Jobs daarmee de intensiteit en wilskracht die later zo kenmerkend voor hem zouden worden.

Een paar jaar later werkt hij samen met Steve Wozniak (‘Woz’) met wie hij later Apple zou oprichten aan het spelletje Break-Out voor Atari computers. Steve Jobs heeft het niet zo op programmeren, en laat dit over aan Woz. Na het opleveren van het spel ontvangt Jobs van Nolan Bushnell (de oprichter van Atari) de afgesproken $1000,- voor het werk. Tegen Woz heeft hij echter verteld dat ze de klus voor $600,- hadden aangenomen. Vervolgens geeft hij Woz zijn ‘helft’ van dat bedrag, $300,-. Zo houdt Jobs $700,- over aan de klus die Woz vrijwel in zijn eentje heeft uitgevoerd.

Tevens ontkent hij jarenlang dat hij de vader is van zijn dochter Lisa en hij draagt geen cent bij aan haar opvoeding. De eerste hoofdstukken laten hiermee overduidelijk zien dat Steve Jobs niet bepaald bekend staat om zijn warme omgangsvormen.

Ook zakelijk gezien laat Jobs zich weinig gelegen liggen aan het protocol. In zijn eerste periode als directielid van Apple vliegt hij op een gegeven moment naar Japan voor een ontmoeting met de board van Epson (een grote printerfabrikant). De vergadering is net begonnen. De voorzitter van de raad van bestuur neemt het woord en zal hoogstpersoonlijk de productpresentatie geven. Hij is minder dan een minuut aan het woord als Jobs hem interrumpeert. “Steve turned to the president of the company and said, ‘This is shit. Don’t you have anything good?’ And with that, he marched out.”

Met deze manier van zakendoen is het geen wonder dat hij niet te handhaven is in de raad van bestuur van Apple, het bedrijf dat hij zelf heeft opgericht. De manier waarop hem door John Sculley de wacht wordt aangezegd wordt uitvoerig uit de doeken gedaan, alsmede de wijze waarop Steve vervolgens creatief met de waarheid omgaat om een paar van de beste ingenieurs bij Apple los te peuteren waarmee hij vervolgens NeXT Computer start, een bedrijf dat een regelrechte concurrent van Apple wordt en in dezelfde markten opereert (‘Ach, ik wil een klein computerbedrijfje starten met een paar vrienden. Wat kunnen zes jongens in een spijkerbroek nou beginnen tegen een miljardenbedrijf als Apple?’).

Successen

Toch is het boek niet geschreven om Steve Jobs af te kraken. Er is ruimschoots aandacht voor de successen die hij – ook in zijn vroege periode-  al weet te realiseren. De Apple II, de introductie van de Macintosh (met de fameuze 1984-commercial, geregisseerd door Riddley Scott) en de overname van Pixar van George –Star Wars- Lucas die op dat moment geld nodig had om zijn scheiding te bekostigen (maar niet nadat Jobs het overnamebedrag omlaag heeft onderhandeld van 30 miljoen naar 10 miljoen dollar).

Dan toont Jobs zijn volhardende aard. Zelfs als Pixar als bedrijf al lang is afgeschreven, blijft Jobs er in geloven. In de loop der jaren pompt hij 30 tot 50 miljoen dollar aan eigen geld in Pixar (geld dat hij had overgehouden aan zijn vertrek bij Apple) om realisatie van de eerste avondvullende, geheel door computers geanimeerde speelfilm (Toy Story) mogelijk te maken. Het tekent het zakeninstinct van Jobs dat hij de beursgang van Pixar heeft gepland na het openingsweekend van Toy Story om zo maximale -gratis- publiciteit te genereren. De rest is geschiedenis. Elke volgende Pixar film (waaronder Cars, Finding Nemo en The Incredibles) levert meer geld op dan de voorgaande.

Het tekent ook de mentaliteit van Jobs dat hij door deze beursgang miljardair wordt, terwijl de medewerkers van Pixar die volledig overwerkt, uitgeknepen en afgebeuld zijn, geen extra aandelen- of optiepakketten tegemoet kunnen zien. ‘Waarom zou ik dat doen? Toen ze in dienst kwamen, wisten ze welk salaris ze zouden verdienen.’

Terug bij Apple

In 1996 wordt Jobs bij Apple teruggehaald om het zinkende schip te redden. “Hij was de enige die het Apple-DNA in zijn bloed had en het bedrijf weer tot een succes zou kunnen maken”, aldus toenmalig CEO Gil Amelio (die enkele maanden later door Jobs persoonlijk gewipt zou worden). Hiermee begint de successtory van Jobs’ recente geschiedenis, met de introductie van de iMac, de iTunes Music Store en de iPod. Vandaar ook de ondertitel van het boek, ‘the greatest second act in the history of business’. Tot in detail wordt beschreven hoe de levensovertuiging van Jobs (hij is onder meer Zen-boeddhist en verzot op muziek) bijdraagt in de totstandkoming van de producten.

Het boek gaat daarbij soms wel erg ver in het beschrijven van zijpaden die niet allemaal even belangrijk zijn, zoals de ontwikkelingen rondom Napster, de ruzies van Jobs met Disney-baas Michael Eisner en bedrijven die technologie voor het ontwikkelen van de eerste iTunes en iPod hebben geleverd. Hierin hadden de auteurs zich wat meer tot de hoofdlijnen mogen beperken. Als complete geschiedschrijving is het echter zeer waardevol.

Over de auteurs

Jeffrey Young en Bill Simon zijn ervaren auteurs (o.a. van MacWorld Magazine) die Steve Jobs al sinds 1983 talloze malen gesproken en geïnterviewd hebben. Veel informatie in het boek komt dan ook uit de eerste hand. Ze hebben Jobs ook gevraagd mee te werken aan het boek, maar die weigerde dit. In een van de hoofdstukken beschrijven ze hoe Jobs achterdocht koestert tegen iedereen die met woorden schrijven (oftewel: journalisten, de media) zijn geld verdient. Vandaar dat de biografie het predicaat ‘ongeautoriseerd’ draagt.

In het laatste hoofdstuk blijkt pijnlijk dat zij zelf niet over de vooruitziende blik beschikken die ze Jobs (“People don’t know what they want, until you show it to them”) toedichten. Ze sluiten het boek af door te beschrijven wat volgens hen het volgende grote doel is van Apple. Op de MacWorld Expo van 2005 heeft Steve Jobs zojuist de Mac Mini en een serie Mac-servers geïntroduceerd. Apple staat volgens hen op het punt de hegemonie van Bill Gates en de Windows-desktop te doorbreken en laaiend enthousiast beschrijven ze hoe het publiek in gejuich en applaus uitbarst.

Dat is met de kennis van toen misschien een plausibele aanname, maar inmiddels weten we hoe het deze producten is vergaan. De Mac Mini leidt anno 2011 een zieltogend bestaan, terwijl de Mac-serverlijn onlangs helemaal is opgedoekt. Niet alles wat Jobs aanraakt veranderd in goud. Ook wordt mijns inziens (te) weinig aandacht geschonken aan de mislukkingen van Apple na de terugkeer van Jobs, die er ook zeker zijn geweest (denk aan de iMac ‘lamp’, de Mac G4 Cube en de eerste versies van Mac OS X). Ook de eerst ziekteperiode van Jobs (alvleesklierkanker) in 2003 wordt maar kort aangestipt, terwijl dat natuurlijk een cruciaal moment is – en ook toen al was.

Van een uitgebalanceerd portret van Jobs in de eerste delen verandert het boek de laatste hoofdstukken daarom iets te veel in een ‘kijk-eens-wat-een-succes’-verhaal. De balans raakt hier een beetje zoek.

Het wordt de auteurs vergeven. Zij konden onmogelijk weten welke revoluties Jobs ook na de iPod nog zou ontketenen (iPhone, App Store,  iPad!). Het laat maar weer eens zien hoe vreselijk moeilijk het is om neutraal te blijven bij het beschrijven van een dusdanig charismatische en betoverende persoonlijkheid als Steve Jobs.

Conclusie

Terugkijkend is het bijna niet te geloven dat Jobs sinds het einde van dit boek in 2005, na de computerindustrie en de muziekindustrie ook nog de telefoonindustrie volledig op zijn kop zou zetten; dat hij de manier waarop we software kopen als kleine, handzame apps die maar enkele dollars of euro’s kosten zou hervormen en dat hij zelfs een heel nieuw landschap voor tablet-computers zou definiëren. Het is te hopen dat er ooit nog een herziene versie van dit boek komt waarin deze ontwikkelingen ook zijn meegenomen.

Desalniettemin biedt iCon ook in zijn huidige vorm een fascinerend kijkje achter de schermen, ja zelfs tot int de ziel van Steve Jobs. De auteurs zijn er uitstekend in geslaagd een complexe persoonlijkheid te schetsen en laten het onthutsend beeld na van een man die je in het dagelijks leven waarschijnlijk als ‘een klootzak’ zou kenmerken, als het iemand anders dan Steve Jobs zou zijn. Maar ook het genie van Jobs de zakenman, de controlfreak en de charismatische communicator wordt treffend geïllustreerd.

Daarom: Steve Jobs – een geniale klootzak.

Mijn oordeel: 4/5.

4stars 

Bestellen

iCon Steve Jobs - The Greatest Second ACT in the History of Business
Auteur: Jeffrey S. Young & William L. Simon
Engels – Hardcover
368 pagina's | John Wiley and Sons Ltd | mei 2005
EUR 19,99 (hardcover), EUR 12,99 (paperback)

Peter Kassenaar
-- 18 maart 2011